Gebiedsbescherming

Wet & Regelgeving: Natura 2000 en de Natuurbeschermingswet

De Europese Unie heeft zich ten doel gesteld in 2010 de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen (Göteborg, 2003). Een belangrijk instrument hiervoor is de uitvoering van de gebiedsgerichte onderdelen van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Dit betekent het realiseren van een netwerk van natuurgebieden van Europees belang: het Natura 2000 netwerk. Hoofddoelstelling van het Natura 2000 netwerk is het waarborgen van de biodiversiteit in Europa. De soorten en habitattypen die onder deze verplichting vallen, moeten op landelijk niveau in een ‘gunstige staat van instandhouding’ worden gehouden of gebracht.

Nederland draagt met 162 gebieden bij aan het Natura 2000 netwerk, met een totale omvang van circa een miljoen hectare, waarvan tweederde open water. Momenteel wordt gewerkt aan het opstellen en goedkeuren van beheerplannen van alle aangewezen gebieden. Een aantal gebieden is al definitief aangewezen en heeft al goedgekeurde beheerplannen. Voor een andere deel is het proces in volle gang. Zie voor een actueel beeld van alle gebieden ook de website van het ministerie van EL&I waarop een Gebiedendatabase is opgenomen.

Zoals de soortenbescherming is geregeld in de Flora- en Faunawet, zo is de gebiedsbescherming (van Natura 2000 gebieden) geregeld in de Natuurbeschermingswet (1998). Alleen binnen die gebieden is de wet van toepassing. Activiteiten of werkzaamheden die in of nabij een Natura 2000 gebied zijn gepland, moeten getoetst worden op schadelijke effecten op de aangewezen beschermde soorten en habitattypen in het gebied.

Gebiedsbescherming buiten de Natuurbeschermingswet

De natuur in Nederland is behoorlijk versnipperd. Om daar verandering in aan te brengen werken het Rijk en de provincies sinds 1990 aan de aanleg van een duurzaam, samenhangend netwerk van grote en kleine natuurgebieden: de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De EHS is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Door nieuwe natuur te ontwikkelen, kunnen natuurgebieden met elkaar worden verbonden. Zo kunnen planten zich over verschillende natuurgebieden verspreiden en dieren van het ene naar het andere gebied verplaatsen.

De EHS bestaat uit:

  • bestaande natuurgebieden, reservaten, natuurontwikkelingsgebieden en zogenaamde robuuste verbindingen;
  • landbouwgebieden met mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer (beheergebieden);
  • grote wateren (zoals de kustzone van de Noordzee, het IJsselmeer en de Waddenzee).

De specifieke waarden en kwaliteiten bepalen of ruimtelijke initiatieven doorgang kunnen vinden. Binnen de EHS geldt een ‘nee, tenzij’- benadering. Dit houdt in dat er geen bestemmingswijzigingen mogelijk zijn als daardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied significant worden aangetast. Dit alles tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang.

Om deze ‘nee, tenzij’-benadering toe te passen is het nodig om te weten waar welke waarden en kwaliteiten van belang zijn. Per gemeente is dit uitgewerkt in één of meer streekplannen. Indien een plangebied binnen de EHS ligt maar niet in een gebied dat wordt beschermd onder de Natuurbeschermingswet, worden eventuele beperkingen voor werkzaamheden aangegeven in een quickscan rapportage. Een Voortoets is voor deze gebieden niet nodig.

Wat kunnen wij voor u doen?

Voor plannen, projecten en andere handelingen, die negatieve effecten op een Natura 2000 gebied kunnen hebben, is een vergunning of goedkeuring van het bevoegd gezag nodig. Meestal is dat Gedeputeerde Staten, soms de minister van EL&I. Deze kan pas worden gegeven nadat de zogenoemde Habitattoets is doorlopen. Hierin moeten ook de cumulatieve effecten worden bekeken, d.w.z. dat de effecten moeten worden beschouwd in samenhang van die van andere plannen en projecten. Ook plannen en projecten die buiten een Natura 2000 gebied liggen kunnen door de externe werking effecten op een Natura 2000 gebied en hebben en zijn dan vergunningsplichtig.

Habitattoets

Het ministerie van LNV onderscheidt drie stappen in de Habitatoets:

  1. Oriëntatiefase of Voortoets. Hierin wordt oppervlakkig onderzocht of er negatieve effecten op het Natura 2000 gebied te verwachten zijn en zo ja of deze significant zijn. Als er geen sprake is van effecten, dan is er geen vergunning of goedkeuring nodig, en is de Habitattoets afgerond. Als er wel effecten zijn, maar deze zijn zeker niet significant, dan dient een Verslechterings- en verstoringstoets (stap 2) te worden uitgevoerd. Als er kans is op significante effecten is, is een passende beoordeling (stap 3) nodig.
  2. Verslechterings- en verstoringstoets. Hierin worden de effecten in meer detail beschreven, gericht op de aantasting van natuurlijke waarden van het gebied, verslechtering van beschermde habitats en verstoring van (het leefgebied van) beschermde soorten. Als het bevoegd gezag oordeelt dat deze aantasting, verslechtering en verstoring aanvaardbaar is, wordt vergunning of goedkeuring gegeven.
  3. Passende beoordeling. Hierin wordt op basis van de best beschikbare wetenschappelijke kennis een effectenstudie uitgevoerd, om de precieze aard en omvang van de effecten te bepalen. Als deze significant kunnen zijn, kan alleen vergunning worden verleend als er geen Alternatieven zijn, er sprake is van Dwingende redenen van groot openbaar belang en er in Compensatie is voorzien (ADC-criteria).

Koeman en Bijkerk bv kan voor u de bovengenoemde Habitattoets uitvoeren. Daarbij kan stap 1 vaak gecombineerd uitgevoerd worden met de quickscan zodat tijd en kosten bespaard worden..

Bij een kans op negatieve effecten is het aan te raden om in een vroeg stadium met het bevoegd gezag te overleggen over de te volgen procedure. Wij kunnen u hierbij ondersteunen of de hele procedure voor u uitvoeren. Indien u nog vragen heeft of meer informatie wenst, kunt u contact opnemen met Janneke van Goethem    .