Vegetatie
De vegetatie (plantensamenstelling) is een afspiegeling van processen in het landschap. Deze processen worden door factoren als klimaat, bodem, nutriënten-huishouding, vochthuishouding en landgebruik beïnvloed. Daarnaast wordt de samenstelling van de vegetatie beïnvloed door concurrentie van plantensoorten onderling en de aanwezigheid van allerlei organismen. Door de vegetatie te bekijken kan de ecologische waarde van een gebied worden bepaald.
In totaal worden 102 soorten vaatplanten beschermd onder de Flora- en faunawet. De beschermde vaatplanten vormen een zeer diverse groep, bestaande uit soorten van veel verschillende milieus. Veel van de beschermde vaatplanten zijn erg gevoelig voor veranderingen van het milieu waarbinnen ze voorkomen. Zo is Drijvende waterweegbree gevoelig voor eutrofiëring en/of verzuring van het water. Hierbij gaan snel andere waterplanten domineren met als gevolg dat Drijvende waterweegbree het onderspit delft. Ook zijn verschillende beschermde soorten, zoals Groenknolorchis, afhankelijk van de aanvoer van kalkrijk grondwater. Als deze aanvoer wegvalt is snel sprake van verzuring van de groeiplaats. Ook speelt het beheer vaak een grote rol bij de instandhouding van vaatplanten. Staken van geschikt beheer, stopzetten van begrazing of maaibeheer, kan er toe leiden dat een groeiplaats dichtgroeit of verandert van soortensamenstelling. Bij een te vroeg uitgevoerd maaibeheer kan de soort zich echter niet of onvoldoende reproduceren.
Veel vaatplanten zijn uitermate belangrijk voor de instandhouding van beschermde diersoorten. Vaatplanten bieden aan veel diersoorten een voortplantingsbiotoop of schuilgelegenheid. Kruidachtige vegetaties kunnen een voortplantingsbiotoop zijn voor vogels, insecten, amfibieën en reptielen. Veel bomen en struiken bieden nestgelegenheid aan vogels. In oude bomen met spleten en holen kunnen vleermuizen en holenbroedende vogels voorkomen. Ook moet rekening gehouden worden met waardplanten van beschermde (insecten)soorten.
Koeman en Bijkerk inventariseert ook regelmatig de water- en oevervegetatie. Water- en oeverplantengemeenschappen worden beïnvloed door ruimtelijke factoren. Zo kan in een vijver een horizontale gradiënt van nat naar droog worden waargenomen als verschillende zones met elk hun specifieke plantengroei. Bij deze zonering spelen plaatselijke factoren als licht, diepte en stroming een belangrijke rol. De wijze waarop de planten in de waterkolom zijn verdeeld bepaald de stratificatie. Deze gelaagdheid is zeer belangrijk aangezien veel organismen in specifieke delen van de waterkolom voorkomen.
Waterplanten vervullen een grote en veelzijdige rol in de relaties tussen andere organismen. Doordat planten licht wegvangen, stoffen uitwisselen met lucht, water en bodem en waterbewegingen temperen, beïnvloeden ze hun fysische milieu. Ze hebben hierdoor ook veel invloed op het vóórkomen van diverse organismen. Er bestaan duidelijke relaties tussen watervegetaties en fyto- en zoöplankton. Zo vormen waterplanten een belangrijk substraat voor epifytische algen welke op hun beurt niet alleen een belangrijke voedselbron vormen voor grazers als slakken, maar ook voor andere ongewervelden zoals kokerjuffers en borstelwormen. Het blijkt dat in vegetatierijke milieus meer taxa en individuen van ongewervelden voorkomen dan in vegetatiearme milieus.
De inrichting en het beheer hebben grote invloed op de zonering en stratificatie van de waterkolom en de oevers en daarmee op de soortdiversiteit van het aquatische milieu. Inzicht in de actuele en potentiële waarden van het onderzoeksgebied is noodzakelijk voor een ecologisch verantwoorde inrichting en beheer van het betreffende gebied. Een beschrijving van de vegetatie is hierbij van belang. Door gegevens over de vegetatie te combineren met gegevens over fytoplankton en macrofauna ontstaat een vollediger beeld en een meer afgewogen oordeel over de ecologische toestand van een gebied.
Monstername
Er zijn veel methoden voor vegetatieonderzoek voorhanden. Welke methode wordt gebruikt is afhankelijk van de vraagstelling en het onderzoeksgebied. Vegetatie-onderzoek kan plaatsvinden vlakdekkend over het hele onderzoeksgebied of in één of meerdere proefvlakken. Ook een combinatie is mogelijk.
Voor het opnemen van de vegetatie binnen een proefvlak wordt vaak gebruik gemaakt van een schaal met een gecombineerde schatting van abundantie en bedekking. Veel gebruikte schalen zijn die van Braun-Blanquet of van Londo. Deze worden vaak gebruikt voor de analyse van permanente kwadraten ten behoeve van successie- of monitoringonderzoek. Voorwaarde is wel dat de opname in een homogene vegetatie wordt gemaakt. Dit komt bij water- en oevervegetaties niet vaak voor. Voor inventarisaties ten behoeve van ecologische beoordelingen van natte milieus maken wij daarom voornamelijk gebruik van de Tansley-schaal. Bij deze methode wordt alleen een schatting gegeven van de bedekking en wordt niet uitgegaan van een homogeen proefvlak. De methode is goed bruikbaar voor een snelle en accurate beoordeling van dergelijke vegetaties.
Over het algemeen is de beste periode voor inventarisatie in de zomer tot herfst als de planten groeien en liefst ook bloeien. Afhankelijk van de vraagstelling, het gebied en het weer kan veldwerk ook in een andere periode plaatsvinden. Voorbeelden zijn het inventariseren van specifieke soorten die heel vroeg in het jaar bloeien en daarna bovengronds afsterven of een slechte zomer waardoor planten laat in bloei komen.
Naast inventarisaties in het veld, voert Koeman en Bijkerk ook zaadbankanalyses uit. Deze analyse richt zich op het bepalen van de aanwezige zaadvoorraad in de bodem. Dit kan bijvoorbeeld van belang zijn als grond wordt gebruikt voor het ophogen van een gebied of als na herinrichting van een gebied een voorspelling van de te verwachten vegetatie wenselijk is. Omdat grondmonsters worden genomen die verder verwerkt worden in de kas, is voor dit onderzoek geen strikt afgebakende veldperiode te definiëren en kan het onderzoek in principe het hele jaar worden uitgevoerd. Wel kunnen praktische zaken als de toegang tot een gebied, vorst in de grond of drukte in het hoogseizoen van invloed zijn op de planning.
Toepassing en wetgeving
Een (integrale) vegetatiekartering is gericht op het weergeven van de ruimtelijke verspreiding van plantengemeenschappen en is daarmee een belangrijke methode om het landschap te analyseren. Een kartering van bepaalde (indicator)soorten wordt vaak gebruikt als aanvulling op de vegetatiekartering.
Naast karteringen is het soms ook nodig om te onderzoeken of in een bepaald gebied beschermde soorten aanwezig zijn. Onder de Flora- en faunawet is een groot aantal planten in meer of mindere mate beschermd. Bij toetsingen van de Flora- en faunawet worden beschermde soorten regelmatig aangetroffen in een gebied waar bijvoorbeeld een ruimtelijke ingreep is gepland. Voor strengbeschermde soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd.
Wat kunnen we voor u doen?
De medewerkers van Koeman en Bijkerk bv voeren regelmatig vegetatie inventarisaties uit bijvoorbeeld in opdracht van waterschappen ten behoeve van waterkwaliteitsbepaling, voor gemeenten ter inventarisatie van natuurwaarden of voor particulieren ter inventarisatie van beschermde soorten. De vegetatie met mogelijk beschermde soorten, wordt altijd bekeken tijdens toetsingen van de Flora- en faunawet (quickscan) die wij voor u kunnen uitvoeren. Mocht tijdens een dergelijke toetsing een strengbeschermde soort worden aangetroffen, dan kunnen wij u tevens begeleiden bij het vervolgtraject. Ook kunnen wij voor u een zaadbankanalyse uitvoeren.





