OBN-onderzoek aan sieralgen

In 2006 zijn wij gestart met een onderzoek naar de diversiteit van sieralgen in Nederland, met name in laagveenplassen. Hierin werken we samen met het NIOO Centrum voor Limnologie. Het onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het kennisprogramma van het Overlevingsplan Bos en Natuur (OBN, tegenwoordig Ontwikkeling + Beheer Natuurkwaliteit, O+BN) en heeft een looptijd van drie jaar. Het hoofddoel van het programma is herstel en behoud van ecosystemen en biodiversiteit. Ons onderzoek moet het volgende opleveren:

  • Een beeld van de verspreiding van sieralgsoorten in Nederlandse plassen;
  • Inzicht in de factoren die de samenstelling van sieralggemeenschappen bepalen;
  • Een beoordelingsmethode voor ecologische kwaliteit geschikt voor toepassing binnen de Kaderrichtlijn Water (een verbeterde KRW-deelmaatlat fytoplankton);
  • Een set van maatregelen om sieralggemeenschappen in laagveenwateren te behouden of te herstellen.

Onderzoek

In 2007 en 2008 zijn vier onderzoeken uitgevoerd naar de diversiteit en verspreidingsfactoren van sieralgen:

  • Een survey van ruim 80 plassen en meren in Nederland;
  • Een onderzoek naar de seizoensdynamiek in een selectie van vier plassen;
  • Een onderzoek naar de relatie tussen de diversiteit van sieralgen, abiotische factoren en de verscheidenheid aan microhabitattypen in zes plassen;
  • Een experimenteel veldonderzoek met enclosures om de rol van het lichtklimaat en de aanwezigheid van ondergedoken watervegetatie op sieralgen te bepalen.

Daarnaast hebben we veel tijd gestoken in literatuuronderzoek en het opbouwen van een database van sieralgvondsten en waterkwaliteitsgegevens.

Resultaten

De resultaten tonen positieve relaties tussen de soortenrijkdom van sieralgen, de beschikbare hoeveelheid licht (het lichtklimaat) en de bedekking van waterplanten. De survey heeft diverse sieralgsoorten opgeleverd die nieuw zijn voor de Nederlandse flora en, in enkele gevallen, mogelijk nieuw voor de wetenschap (figuur 1). Er is een eenvoudige maatlat ontwikkeld voor de KRW, waarvan de score een significant verband vertoont met beïnvloedingsfactoren (pressors) die te maken hebben met eutrofiëring (figuur 2).

Het eindrapport is in april 2010 verschenen in de OBN-reeks:
Mulderij G, Bijkerk R, Bultstra I, Wolters G, Ibelings B & van Donk E (2010) Sieralgen en biodiversiteit: bijdrage, functioneren en beheer. Rapport DKI nr. 2010/dk136-O, Directie Kennis en Innovatie, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Ede. 180 pp.

Het rapport is per email te bestellen bij algemeen@bosschap.nl onder vermelding van code 2010/dk136-O en het aantal exemplaren.

Staurastrum sp. Zuideindigerwijde
Figuur 1 Een voor Nederland onbekende sieralg, gevonden in enkele, grotere laagveenplassen in Overijssel, mogelijk Staurastrum floriferum auct. nonnull. (meded. P.F.M. Coesel).


Figuur 2 Berekende EQR van de sieralggemeenschap versus het gemeten Ptotaal-gehalte in wateren van het type E (matig tot sterk gebufferde, voedselrijke wateren; de EQR is de ecologische kwaliteitsratio uit de KRW en geeft de verhouding tussen de actuele toestand en de referentietoestand: 0-0.2 = slecht, 0.2-0.4 = ontoereikend, 0.4-0.6 = matig, 0.6-0.8 is goed, 0.8-1.0 = zeer goed).