Schelpdierlarven Haringvlietmonding

SchelpdierlarveDe aanleg van de Tweede Maasvlakte kan ecologische veranderingen veroorzaken in het mondingsgebied van het Haringvliet. Denkbaar is een verandering in het tijdstip van de voorjaarsbloei van fytoplankton. Hierdoor zou er te weinig voedsel beschikbaar zijn op het moment dat larven van kokkels zich ontwikkelen; een verschil dus in timing (mismatch). Een verminderde recrutering van kokkels zou vervolgens nadelig zijn voor vogels die deze schelpdieren op hun menu hebben staan. Daarom laat het Havenbedrijf Rotterdam onderzoek uitvoeren naar de beschikbaarheid van voedsel voor schelpdierlarven in dit gebied.

In de periode april-mei 2009 zijn tweemaal per week watermonsters verzameld op drie locaties in de Haringvlietmonding. Aan deze monsters zijn de biomassa van het fytoplankton bepaald per grootteklasse en de dichtheid en lengte van schelpdierlarven. Uit het lengteverloop van de larven konden we hun groeisnelheid bepalen. De monsters werden steeds in dezelfde getijfase verzameld.

Uit de lengte-breedteverhouding van de schelpdierlarven is afgeleid dat het om één soort gaat, hoogstwaarschijnlijk de kokkel (Cerastoderma edule). Op grond van het verloop van de lengte hebben we geconcludeerd dat er twee cohorten schelpdierlarven in de maanden april-mei voorbijtrokken. Begraasbaar voor deze larven zijn algensoorten met een afmeting kleiner dan 20 µm. Deze fractie bedroeg in deze periode 37-90% van de totale fytoplanktonbiomassa, die een voor de Zuidhollandse kustwateren gebruikelijke waarde had.

Dichtheidsverloop in de periode 14 april-20 mei 2009Door literatuurgegevens over de filter- en opnamecapaciteit van schelpdierlarven te combineren met de onderzoeksresultaten, is een vergelijking gemaakt tussen de energiebehoefte van de schelpdierlarven en de hoeveelheid energie beschikbaar in de begraasbare algenfractie. Op grond hiervan lijkt het onwaarschijnlijk dat er dit voorjaar sprake is geweest van voedselgebrek bij de schelpdierlarven. De waargenomen lengtegroei van de schelpdierlarven ondersteunt deze conclusie. Het onderzoek is uitgevoerd in samenwerking met Onno van Tongeren (Data-Analyse Ecologie) en ATKB en wordt in 2010 herhaald.